De maximale spanning kan variëren afhankelijk van de context en het specifieke elektrische systeem waarnaar wordt verwezen. Er zijn verschillende niveaus van spanning die relevant zijn in verschillende toepassingen. Hier zijn enkele voorbeelden:

  1. Laagspanning: Over het algemeen wordt laagspanning beschouwd als spanning tot 1.000 volt in wisselspanning (V) en 1.500 volt in gelijkspanning (V). Dit wordt vaak gebruikt in huishoudelijke elektronica en laagvermogenstoepassingen.
  2. Middenspanning: Middenspanning varieert typisch van 1.000 volt tot 35.000 volt in wisselspanning. Dit wordt vaak gebruikt in distributienetwerken voor elektriciteit om energie over middellange afstanden te transporteren.
  3. Hoogspanning: Hoogspanning kan variëren, maar het is over het algemeen alles boven de 35.000 volt in wisselspanning. Hoogspanning wordt gebruikt voor de transmissie van elektriciteit over lange afstanden, van elektriciteitscentrales naar distributiesystemen.
  4. Extra hoge spanning (EHS): In sommige gevallen, vooral bij transmissie over zeer lange afstanden, kan men te maken hebben met extra hoge spanning, typisch boven 345.000 volt.

Het is belangrijk om te benadrukken dat spanning gevaarlijk kan zijn en dat veiligheidsmaatregelen moeten worden genomen, ongeacht het spanningsniveau. Bij elektrisch werk is het essentieel om de juiste procedures en beschermende uitrusting te volgen, ongeacht of het om laagspanning, middenspanning of hoogspanning gaat. De maximale veilige spanning kan ook variëren afhankelijk van lokale veiligheidsnormen en voorschriften. Het is altijd raadzaam om de geldende normen en veiligheidsrichtlijnen te raadplegen bij het werken met elektrische systemen.