De temperatuur van een elektrische kabel mag niet hoger zijn dan de maximaal toegestane bedrijfstemperatuur, om de veiligheid van de installatie te waarborgen en het risico op oververhitting te minimaliseren. De maximaal toegestane bedrijfstemperatuur wordt bepaald door verschillende factoren, waaronder het type isolatiemateriaal en de belasting van de kabel.

Hier zijn enkele algemene richtlijnen:

  1. Nominale Temperatuur: Kabels worden geclassificeerd op basis van hun nominale bedrijfstemperatuur. Bijvoorbeeld, de classificaties 70°C, 90°C en 105°C zijn gebruikelijk. Deze getallen geven aan tot welke temperatuur het isolatiemateriaal bestand is tijdens normaal bedrijf.
  2. Overbelasting: De kabels moeten bestand zijn tegen tijdelijke overbelastingen. Dit wordt meestal aangegeven door een tweede temperatuurclassificatie, zoals “160°C voor kortsluiting gedurende 5 seconden”. Deze classificatie geeft aan hoe lang de kabel een hogere temperatuur aankan in geval van een kortsluiting.
  3. Omgevingstemperatuur: De omgevingstemperatuur speelt ook een rol. Als de kabel bijvoorbeeld wordt geïnstalleerd in een omgeving waar de temperatuur hoger is dan normaal, moet dit in overweging worden genomen bij het bepalen van de geschikte kabel.

Het is van cruciaal belang om de specificaties en aanbevelingen van de fabrikant van de kabel te raadplegen, evenals lokale elektrische normen en voorschriften. Het overschrijden van de maximaal toegestane bedrijfstemperatuur kan leiden tot degradatie van het isolatiemateriaal, verminderde elektrische eigenschappen en uiteindelijk tot storingen of brand. Een gekwalificeerde elektricien kan helpen bij het kiezen van de juiste kabel voor een specifieke toepassing.